Skischansspringers vechten
niet alleen met hun tegenstanders maar vooral tegen de zwaartekracht
en de luchtweerstand. Om ver te kunnen springen zijn nogal wat
vaardigheden vereist. Zonder kracht, snelheid, gevoel, precisie,
evenwicht en concentratie is het bijna onmogelijk om ver te vliegen.
De eigenlijke sprong is opgebouwd uit:

Copyright: www.sportsplanet.at
- Aanloop: de springer maakt snelheid door
zijn aërodynamische houding
- Afzet: de knieën en lichaam worden
gestrekt in een snelle soepele en aanvallende beweging
- Vlucht: de ski's staan gespreid in de V-vorm.
Hiermee is een grotere afstand haalbaar dan klassieke parallel
vorm (bijna 3 sec. langer in de lucht)
- Landing: de ski's gaan in telemarkpositie;
de ene voet voor de ander en de knieën gebogen om bij de
landing te remmen
Jurering
De springers maken twee sprongen. Vijf juryleden geven elk maximaal
20 punten voor de uitvoering van de sprong; de hoogste en laagste
scores worden vervolgens niet meegerekend. De overige drie scores
worden opgeteld bij de behaalde punten voor de afstand, en die
som is de totaalscore. Landt de deelnemer op het K-punt, dan krijgt
hij voor de afstand 60 punten. Landt hij ervóór,
dan kost hem dat per meter 2 punten. Landt hij erachter, dan krijgt
hij er 2 punten per meter bij. Bij de K90-schans scheelt het 1,8
punten per meter.
|