Door Guus Ferrée
Hij raakt met z’n hoofd nog net geen
laaghangende stapelwolk. Jermo Ribbers springt als een duiveltje
uit een doosje van de Adelaarsschans. Het jongste talent van de
Nederlandse skispringploeg oefent in Hinterzarten waar ook het
andere Oranje vertoeft.
Hop! Op het krachtige teken van Konni Kral, de Duitse trainer
van de nationale talentenploeg, suist Jermo Ribbers van de 100
meterschans naar beneden. Dik drie seconden zweeft de 13-jarige
knaap tussen hemel en aarde. Dan komt hij met een doffe knal op
de met groene kunstgras belegde piste terecht en klikt met een
bescheiden glimlach z’n ski’s af.
Het is even wennen om de ‘aangenomen’ zoon van de
Achterhoek hartje zomer te zien trainen. De steile dennen pronken
met hun groene pracht, het duizend meter dieper geleden dal ligt
er als een artistieke lappendeken bij. De wind koelt de hitte
tot 25 graden, geen omstandigheden die associaties met schansspringen
oproepen.
Voor Jermo Ribbers telt alleen de ambitie. Bij het jeugd-WK, afgelopen
winter in Garmisch Partenkirchen, werd hij vierde. Een uitstekend
resultaat. ‘We hoeven de Nederlandse ploeg echt niet te
verstoppen’, verklaart Konni Kral. ‘Er zitten enkele
zeer getalenteerde springers bij. Het feit dat deze kinderen alleen
maar in de weekeinden trainen, is geen nadeel. Dan zijn ze extra
gemotiveerd. Hun wilskracht en discipline hebben me aangenaam
verrast.’
Jermo Ribbers, amper 1,50 meter groot, is een verhaal apart in
de springploeg. Zijn ouders (vader is afkomstig uit Ruurlo, moeder
uit Lichtenvoorde) vertrokken zestien jaar geleden als verpleegkundigen
naar Zwitserland. Op zevenjarige leeftijd werd het jochie er tijdens
een talentendag uitgepikt. Sindsdien is het schansspringen dat
de klok slaat. Drie keer in de week staat een training op het
programma, in de weekeinden worden ter voorbereiding op het nieuwe
seizoen wedstrijden gesprongen.
‘In feite’, licht vader Robert toe, ‘is Jermo
elke dag met zijn sport bezig. Ik heb om hem thuis te begeleiden
bij de Duitse skifederatie een trainersdiploma gehaald. Op dagen
dat er niet wordt getraind, doet hij rek- en strekoefeningen.
Nee, hij wordt niet overbelast. Daar waakt de trainer echt wel
voor.’
Trots draagt het springtalent een oranje T-shirt met de tekst:
Oranje favoriet. Maar het keurkorps van Marco van Basten laat
zich niet zien, een duidelijke afspraak ten spijt. Jermo begrijpt
niet waarom de spelers niet komen. ‘Ik ben echt niet voor
Zwitserland, hoor!’, klinkt het oprecht. Zelf wil hij het
liefst de absolute top halen bij het skispringen. Begin volgend
jaar, als hij veertien jaar is, lonkt het ski-gymnasium in het
Oostenrijkse Stams. De Fin Matti Hautamüki is zijn grote
voorbeeld. ‘Zijn stijl, zijn techniek, zijn sympathieke
optreden spreken me enorm aan. Ik heb hem een keer hier in Hinterzarten
ontmoet tijdens de zomer Grand Prix. Hij spreekt slecht Engels,
maar ik kreeg toch heel gemakkelijk een handtekening van hem.’
Terwijl een moeder met tien flessen water zeult, de nationale
ploeg telt twee meisjes en zes jongens, kijkt Robert Ribbers tevreden
toe. ‘Dit zijn ideale omstandigheden om te trainen. In de
winter heb je met steeds wisselende omstandigheden te maken. De
wind kan dan een storende factor zijn, de sneeuwhoogtes op de
piste variëren, nee, dan is dit veel prettiger. Al is het
zeker geen makkie. Onderschat het trainen op deze schans niet.’
Robert Ribbers durft zelf niet naar beneden te springen. Terwijl
de leden van de jeugdploeg hoorbaar door de wind snoeren, constateert
de bewoner van het dorpje Gross Einsiedeln, dat je het springen
alleen maar goed kan beheersen als je er heel jong aan begint.
Bron: tc tubantia 23 juni 2006
|