UTRECHT - Het beeld bestaat al jarenlang.
Een eenzame Evert ten Napel die in z'n eentje nieuwjaar moet vieren
ergens in de Duitse sneeuw bij Garmisch-Partenkirchen. Want al
twintig jaar is Evert ten Napel dé man in Nederland op
het gebied van skispringen.
Elk jaar zit hij op 1 januari in een hokje
om de nieuwjaarswedstrijd in Garmisch-Partenkirchen van commentaar
te voorzien. Bijna elk jaar dan, want dit jaar is hij er niet
bij. ,,Ik wil ook wel eens lekker met mijn familie en vrienden
thuis nieuwjaar vieren.”
Dit jaar vertrekt atletiek- en wintersportverslaggever
Leon Haan naar Duitsland. Hij nam het eerder in 2002 al een keer
over van Ten Napel. Maar de 60-jarige journalist komt nog terug.
,,Waarschijnlijk ben ik er volgend jaar wel weer bij hoor, dan
zijn er ook olympische spelen. Maar ja ik ben al zestig, dus het
wordt nu wel eens tijd dat iemand het anders gaat overnemen.”
Eenzaam
Maar voor de Studio Sport verslaggever is
het geen verbanning. Begin jaren tachtig nam hij het over van
Herman Kuiphof. ,,Ik kwam binnen als opvolger van Kuiphof en kreeg
ook het skispringen in mijn portefeuille, omdat ik dat leuk vond.
Ik ben een wintersportliefhebber.” Jarenlang combineerde
hij dan ook het nuttige met het aangename. ,,Vroeger nam ik de
hele familie mee, dan gingen we twee weken op vakantie in de buurt
van Garmisch en deed ik het schansspringen erbij.”
Natuurlijk zat hij jarenlang in zijn eentje.
Maar de laatste jaren bracht hij zijn dochter Carrie - sportverslaggever
bij RTV Oost - wel eens mee naar de Duitse sneeuw. ,,Het is niet
de enige keer in het jaar dat ik alleen in een hotel in het buitenland
moet vertoeven, bij voetbalwedstrijden van de Champions League
tussen buitenlandse club zit ik meestal ook ergens eenzaam en
alleen. Niet de leukste kant van het werk.”
Maar het plaatje is hem altijd blijven trekken
naar Zuid-Duitsland. ,,Er is een enorme sfeer daar. Het winterplaatje
is zo mooi. Net als de heroïek. Het is een beetje vergelijkbaar
met de elfstedentocht. Er zijn altijd mooie verhalen. Zoals Jens
Weissflog die eerst voor de DDR won en later voor het grote Duitsland.
En de Tsjech Primoz Peterka, die eerst in de goot lag en later
het verste sprong, geweldig. Daarbij lijkt het een hele gevaarlijke
sport, dat terwijl er bijna nooit grote ongelukken gebeuren, en
dat heeft wel wat.” Overigens zou hij het zelf nooit wagen.
,,Nee. Ik kijk altijd wel eens van boven de schans naar beneden.
Wat een imposant gezicht.”
Traditie
Langzamerhand werd het een grote traditie.
Het nieuwjaarsconcert met Joop van Zijl vanuit Wenen en daarna
twee uurtjes skispringen met Evert ten Napel. De kijkcijfers zijn
er ook naar. Omdat er niet echt heel veel op de televisie is.
,,Het zit samen in een pakket”, zegt de journalist. Hij
probeert het dan ook simpel te houden. ,,Ik ga niet overal heel
diep over in.”
Zijn voorbereiding begint in december. Dan
gaat hij de Duitse televisie volgen en leest hij zich in in buitenlandse
media. Websites houden hem ook redelijk op de hoogte. ,,Meestal
ga ik een dag vantevoren weg, zodat ik op 31 december de training
en de kwalificatie kan zien en een beetje kan rond kijken.”
Ten Napel vindt het nog steeds een bijzonder
wereldje. ,,Het zijn een stel zigeuners die in de winter, en tegenwoordig
ook in de zomer op de borstelbanen, de wereld over reizen. Het
is een sport voor waaghalzen met bijzondere mensen.”
Er is ook zeker wat veranderd. ,,Vroeger kregen
ze gewoon een beker als ze gewonnen hadden. Nu gaat er heel veel
geld in om, er zijn grote sponsoren en het komt in Japan, de Alpenlanden
en in Finland live op de televisie.”
Alleen in Nederland dus maar een keer per
jaar. Skispringen is nooit een nationale sport geworden. Ook niet
toen Gerrit-Jan Konijnenberg eind jaren tachtig zijn intrede deed
in de waaghalzensport. De Nederlanders was vooral voorspringer
- degene die de sporen moet leggen voor de kampioenen - maar mocht
ook aan Garmisch meedoen. Alleen omdat ieder land een deelnemer
mocht afvaardigen. Konijnenberg was niet meer dan een Hollandse
Eddie The Eagle. ,,Hij had een aardige babbel en kwam als eerste
Nederlander in het circuit.”
Achterstand
Meer onder de indruk is Ten Napel van Jeroen
Nikkel en Boy van Baarle. Nikkel was de enige Nederlander die
ooit door de kwalificatie van de nieuwjaarswedstrijd kwam en prompt
bij Ten Napel mocht aanschuiven om te helpen met het verslag.
,,Maar we hebben een natuurlijke achterstand, die nooit meer in
te halen valt. Het is een avontuur voor die jongens, en leuk dat
ze zoiets proberen. Ik heb altijd geprobeerd contact met ze te
zoeken. Dat ze mij wat kunnen leren van het technische aspect,
de landing of de pakken. Vaak kan ik dat alleen vragen aan collega's
en die zitten niet vaak te wachten op een Nederlandse journalist.”
Volgens Ten Napel is er wel een kans dat er
een Nederlander bij de eerste twintig van de wereld kan eindigen.
,,Ze moeten veel tijd investeren in het springen. Zo woont Van
Baarle in Bad Mittendorf, zodat hij dichtbij een schans zit.”
Er is dus ook nooit een skispringer naar de
Olympische spelen geweest. ,,Bijna was het team in 2002 naar Salt
Lake gegaan, maar in de laatste wedstrijd was team met Christoph
Kreuzer, Ingmar Mayr, Nikkel en Niels de Groot, net niet goed
genoeg. Voor de individuele wedstrijd zijn de kwalificatie eisen
gewoon te zwaar, ik denk dat de enige mogelijkheid om Nederlandse
springers Olympische te laten vliegen met het team is. Dat Oranje
tintje maakt het wel weer leuk, het zou minder zijn als de sport
in Nederland helemaal niet zou leven.”
Nu mag waarschijnlijk Leon Haan het stokje
overnemen als Ten Napel met pensioen gaat. Of zijn naam altijd
met 1 januari en Garmisch verbonden blijft? ,,Toen ik het ging
doen dacht ik er niet bij na. Maar als Leon het lang doet, zijn
ze mij misschien al weer lang vergeten. Daar kan ik wel mee leven.”
Bron:
Door Kees van Dalsem, 21 dec 2004
|