Ook bij de landing worden stijlpunten verdiend met de "telemark". De telemark, die naar de Noorse provincie Telemark genoemd werd, omdat hij daar voor het eerst toegepast werd tijdens een sprong, is een soort "stap opzij", waarbij het achterste been duidelijk dieper gebogen wordt dan het voorste been. De zogenaamde "Kacherllanding" of parallellanding, wordt over het algemeen uit veiligheidsoverwegingen uitgevoerd door de springers bij extreem verre sprongen bijvoorbeeld. De jurywaardering is wel aanzienlijk lager.

Hans Ott 1924
Afstandrecords
De verbeteringen in techniek, materiaal en training hebben -zoals in alle moderne sporten- voor een snelle recordontwikkeling gezorgd. Het eerste statistisch genoteerde afstandrecord in 1879 was 23 meter. Tot 1927 hebben alleen Noren dit record verbeterd, toen brak de Zwitser Bruno Trojani met 72 meter het wereldrecord. In 1936 werd voor het eerst meer dan 100 meter gesprongen door de Oostenrijker Sepp Bradl (101 m). In 1962 werd het record aangescherpt door de Duitser Peter Lesser tot 141 meter. In 1965 ging het naar 145 meter en in 1967 werd de 150 meter grens gebroken door de Noor Lars Grini.
De eerste sprong voorbij de 200 meter grens lukte Toni Nieminen (Finland) in 1994 met 203 meter. Andreas Goldberger (Oostenrijk) bereikte deze afstand ook al eerder op dezelfde dag. Helaas voor hem gold het record niet doordat hij met hand de sneeuw (grond) raakte bij de landing (dit geldt als val). Daarnaast werden sprongen boven de 192 meter grens niet erkend. De FIS besloot in 1984 tot de invoering van een veiligheidsgrens. In het midden van de negentiger jaren werd deze veiligheidsgrens opgeheven. |